A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
-
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
B
Term:
Beschrijving:
Back-up

1. De term back-up staat op zichzelf voor "terugval". De beschrijving ervan is een herstel optie voor de real-time praktijk. Een waarborg om de praktijk te continueren na een verminking van, bijvoorbeeld, DATA, backbones, en overige transportmedia.

^
^
Backbone:

1. De hoofdader van een computernetwerk met een groot capaciteit (hoeveelheid gegevens die per seconde getransporteerd worden). Deel van een netwerk waaraan segmenten en servers gekoppeld zijn. Backbone betekent ruggengraat, dit is de kern van een computernetwerk met een grote beschikbaarheid voor gegevens. Een backbone stelsel wordt een overkoepelend netvlak genoemd, hieraan zijn vele lokale netvlakken gekoppeld. De backbone verzorgt het massa transport bij de grotere computernetwerken;

2. De backbone bepaalt de structuur van het netwerk en wordt beschouwd als het belangrijkste onderdeel van elk netwerk;

^
^
Backoff:

1. Wachtperiode na een verhinderde poging om gegevens te zenden, veroorzaakt door een collision (botsing). Backoff wordt gebruikt bij CSMA/CD computernetwerk toegang;

^
^
Bandbreedte:

1. Verschil tussen twee signaalfrequenties op een kanaal, de hoogste en de laagste frequentie, de waarde hiertussen wordt de bandbreedte genoemd. De bandbreedte bepaald mede het aantal gegevens dat, per seconde, over een medium vervoerd kan worden;

^
^
Baseband:

1. NED. Basisband. Digitale en eenvoudige methode om gegevens te zenden over een medium, hierbij wordt slechts één kanaal gebruikt. Baseband gebruikt geen draaggolf en heeft een geringe capaciteit. De tegenpool van baseband is breedband. Nederlandse vertaling, basisband. Zie ook breedband;

2. Baseband zend ongemoduleerde digitale signalen. Hiervoor worden geen draaggolven gebruikt, zoals bij breedband wel het geval is;

^
^
Baseline

1. Basislijn of basisniveau.

^
^
Baud:

1. Aantal signaalwisselingen / seconde;

^
^
Berichtschakelen:

1. Bij berichtschakelen worden gegevens verstuurd doormiddel van knooppunten die buffers bevatten om gegevens plus het adres van de ontvanger, in z'n geheel in op te slaan. Zo blijft de rest van het netwerk vrij voor ander verkeer. Engelse vertaling, message switching.

2. Het opvangen en doorsturen van gegevens (berichten) die geheel kunnen worden opgeslagen in een geheugen (buffer) samen met het bestemmingsadres van de ontvanger. Schakelpunten dienen te beschikken over ruimte voor tijdelijke opslag van ontvangen berichten. Netwerken die hiervan gebruik maken hebben een grote beschikbaarheid, i.v.m. het bufferen van de gegevens tot er een volgend schakelpunt vrij komt;

^
^
Besturing:

1. Sturing die de zender en de ontvanger informatie geeft over het verloop van een gegevensuitwisseling. In algemene zin betreft besturing, op informatica gebied, het controleren en afhandelen van procedures die geautomatiseerd zijn door voorgeprogrammeerde code in apparatuur en programmatuur;

^
^
Biometrie

1. Biometrie is een authenticatie methode waarmee doormiddel van lichamelijke kenmerken toegang kan worden verkregen tot informatiesystemen of en gebouwen. Biometrie kan gebruik maken van: de iris, het netvlies, het gezicht, de vingerafdruk, de hand, de stem en een handtekening. Biometrie vereist geavanceerde apparatuur en bijbehorende programmatuur. Biometrie is minder fraudegevoelig dan reguliere aanlog methodes.

^
^
BIOS

1. Basic Input Output System.

^
^
BIV

1. Beschikbaarheid, Integriteit en Vertrouwelijkheid. BIV zijn aspecten van betrouwbaarheid, onder elk BIV aspect vallen te beveiligen informatie kenmerken binnen informatiesystemen. BIV is geen puur ICT gerelateerd acroniem (afkorting), het omvat informatiebeveiliging in het algemeen, dus ook de administratie en personele bezetting en de informatie die hier in omgaat. BIV zijn onderverdelingen van informatiekenmerken en bevatten kenmerken waarin informatie gescheiden kan worden, zo valt er onder 'beschikbaarheid' de kenmerken tijdigheid, continuiteit en robuustheid, het zegt iets over de informatie, is het bestand tegen storingen en is er ten alle tijde een reguliere beschikbaarheid van informatie (continuiteit) binnen een bepaalde periode.

^
^
Boolean:

1. Variabele met de waarde 'waar' (treu) of 'onwaar' (false). Boolean is een afkorting van de heer George Boole (1815-1864), boolean is beschreven in Laws of Thought uit 1854.

^
^
Breedband:

1. ENG. broadband. Analoge transmissie methode waarbij gebruikt gemaakt wordt van meerdere kanalen op één medium. Daardoor is de bandbreedte groter dan bij basisband. Bij breedband wordt gebruik gemaakt van multiplexers waarmee kanalen worden samengevoegd op een medium. Door kanalen op een medium verschillende frequenties te geven kunnen de kanalen gecreëerd worden. Omdat breedband een analoge transmissie is worden hierbij draaggolven gebruikt waarop digitale informatie verzonden kan worden;

^
^
Broadcast:

1. Uitzenden, rondbrengen, omroepen van een boodschap (gegevens) over een bepaald medium. Een broadcast sessie komt overal, dit wil zeggen, op elk bereikbaar punt in een netwerk. Een voorbeeld van broadcasting is het uitzenden doormiddel van radiocommunicatie;

2. Broadcastnetwerken zijn netwerken waarbij alle stations op éénzelfde kanaal zijn aangesloten, daarom mag en kan er maar één station zenden per moment. Dit laatste om verstrengelingen te voorkomen ofwel botsingen. Een bekend broadcast concept is de LAN (Local Area Network);

3. CSMA/CD (Carrier Sense Multiple Access/Collision Detection) is een bekend broadcast methode om het regulier zenden van gegevens te verwezenlijken;

^
^
Buffer:

1. Tussentijdse opslag van gegevens;

2. Gereserveerde ruimte in een geheugen, waarin gegevens tijdelijk kunnen worden opgeslagen in afwachting voor verder gebruik;

^
^
Bus:

1. Elk van de hoofdverbindingen voor gegevensoverdracht in een computer (parallelle transmissie);

2. Databus;

^
^
<< vorige | vernieuwen |
Vraag of feedback:
E-mail adres:
Vraag of feedback: